Dit jaar voerden we al meer dan 25 praktijkscans uit, verspreid over het land. Bij praktijken met vier kamers, maar ook praktijken met 12 kamers. Praktijken die zelfstandig zijn, of onderdeel van een kleine groep van 2 of 3 praktijken. Bij elke scan beoordelen we tachtig punten, verdeeld over drie pijlers: infectiepreventie, stralingsbescherming en de organisatie van wet- en regelgeving.
Bij infectiepreventie kijken we onder meer naar sterilisatie, testen van apparatuur, schoon vuil routing, hygiëneprotocollen en de vaccinatiestatus van het team. Bij stralingsbescherming naar de keuring van de röntgenapparatuur, de bevoegdheid van medewerkers en de inhoud en kennis van het KEW dossier. En bij de organisatie van wet- en regelgeving naar zaken als taakdelegatie, arbo, protocollen, klachtenregeling en dossiervoering.
Per punt stellen we steeds twee vragen. Hoe is het in de praktijk geregeld? En is dat aantoonbaar? Want iets goed doen is één, het kunnen laten zien is twee. Bij een controle telt alleen dat tweede.
Het resultaat van al die scans: gemiddeld voldeden zestig van de tachtig punten. Ofwel 75 procent. Dat klinkt goed en dat is het ook. Het betekent alleen ook dat een gemiddelde praktijk zo’n twintig punten open heeft staan. Zelfs de best scorende praktijk had er nog ruim tien. En dat is precies waarom een praktijkscan bestaat. Want de meeste aandachtspunten zijn onzichtbaar in de dagelijkse drukte. Tot iemand ernaar vraagt.
Welke punten komen we het vaakst tegen? Lees mee:
- Het arbo-dossier: de RI&E die er wel is, maar niet meer klopt
De Risico-Inventarisatie en -Evaluatie is wettelijk verplicht voor elke werkgever. Toch treffen we regelmatig praktijken waar de RI&E ontbreekt, jaren oud is of waar het bijbehorende plan van aanpak nooit is opgevolgd. Ook de rest van het arbo-dossier laat vaak steken vallen: veiligheidsinformatiebladen die niet per product aanwezig zijn, een CMR-stoffenregister dat nog moet worden opgesteld en werkplekinstructiekaarten die ontbreken.
- Hepatitis B: gevaccineerd, maar waar is de titer?
Vrijwel iedereen in de praktijk die patiëntgebonden handelingen verricht of met gebruikt instrumentarium werkt, is gevaccineerd. Het bewijs daarvan op de werklocatie is een ander verhaal. Per risicovormer moet naast het vaccinatiebewijs ook een anti-HBs-titerbepaling aanwezig zijn, met een waarde van 100 IE/L of hoger. Is die lager, dan is een extra actie nodig. Juist die titerbepaling ontbreekt vaak, zeker bij medewerkers die al lang in dienst zijn. Sinds 15 juni 2026 is dit een actief toetsingspunt van de IGJ, dus dit punt verdient prioriteit.
- Taakdelegatie: veel gedelegeerd, weinig vastgelegd
In vrijwel elke praktijk voeren assistenten of in het buitenland gediplomeerde tandartsen ( tandheelkundig medewerkers) voorbehouden of risicovolle handelingen uit. Dat mag, mits de delegatie goed is geregeld. In de praktijk ontbreken functiekaarten, zijn ze verouderd of is de bekwaamheid niet aantoonbaar. Ook de schriftelijke opdracht van de tandarts is lang niet altijd aanwezig. De vuistregel: per niet-BIG-geregistreerde medewerker een actuele functiekaart, jaarlijks geactualiseerd, met aantoonbare bekwaamheid per handeling én toestemming van de patiënt.
- Stralingsbescherming: het papierwerk achter de röntgenfoto
De apparatuur is meestal in orde en de keuringsrapporten zijn doorgaans goed vindbaar. Het KEW-dossier eromheen is minder vaak compleet. We zien regelmatig een keurige stralingsrisicoanalyse, terwijl de opmerkingen van de Algemeen Coördinerend Deskundige daarin nooit zijn opgevolgd. Ook bijscholing ontbreekt vaak in het dossier. We horen dan: het certificaat ligt nog thuis bij de behandelaar. Dat telt niet als aantoonbaar. Wat er niet in het dossier op de werklocatie zit, bestaat voor een toezichthouder niet.
- Protocollen: aanwezig, maar niet actueel
Bijna elke praktijk heeft een map of digitale omgeving vol protocollen. De vraag is of ze nog kloppen met de huidige richtlijnen en met hoe er daadwerkelijk wordt gewerkt. Een protocol uit 2019 waarin een medewerker staat die al drie jaar weg is, zegt genoeg. Hetzelfde geldt voor de klachtenregeling die patiënten nergens kunnen vinden en het calamiteitenbeleid dat het team niet kent.
Wat zegt zo’n score nu eigenlijk?
Minder dan u misschien denkt. Een praktijk kan negentig procent goed hebben, terwijl juist in de resterende punten de bevoegd- en bekwaamheid van het team zit. Of de bescherming tegen hepatitis B. Dan is het maar relatief of 97 procent beter is dan 75. Wij trekken uit een score dan ook maar één conclusie: de praktijk met een hoge score heeft iets anders te doen dan de praktijk met 75 procent. That’s it.
En dan nog iets over die 75 procent. Die score komt van praktijken die Praktijk op Orde zelf hebben ingehuurd. Praktijken dus die kwaliteit en veiligheid al hoog op het lijstje hebben staan. Zij wilden weten waar ze staan en dat siert ze. Wat het landelijke gemiddelde is van praktijken die nog nooit langs de meetlat zijn gelegd? Dat weet niemand. Ook die praktijken zelf niet.
Wij zijn de inspectie niet. Wij zijn juist het station ervoor. Meten is weten, want alleen dan weet u wat er op uw to-dolijst hoort.
Benieuwd waar uw praktijk staat? Plan een praktijkscan